Historische achtergrond: Spanje in de elfde eeuw

Dit bestand bevindt zich in het publiek domein in de Verenigde Staten en in alle andere landen waar het auteursrecht na 100 jaar of korter na het overlijden van de auteur verloopt.

Alfonso VI van Léon en Castilië

Het einde der tijden was nabij, zo verwachtte men rond het jaar 1000. Er vonden nogal wat gebeurtenissen plaats die wezen op naderend onheil. In het jaar 991 was er een bijna fatale brand van het graf van Sint Petrus in Rome. Zes jaar later veroverde de saraceense krijgsheer Al Mansur de toen al wereldberoemde bedevaartsplaats Santiago de Compostela in Noord Spanje. Nog eens dertien jaar later vernietigde de gestoorde Egyptische kalief Al Hakim, die beweerde de reïncarnatie van God himself te zijn (en daarom alle honden liet vermoorden en in de woestijn gooien), de Heilige Grafkerk in Jeruzalem.

Niet alleen de christenen verwachtten dat de Dag des Oordeels nabij was (waarschijnlijk in het jaar 1033 – duizend jaar na de kruisiging van Jezus Christus). Ook de moslims verwachtten die, en wel in het jaar 1009 – precies vierhonderd jaar nadat Mohammed zijn moslimstaat stichtte. Jezus, die ook door de moslims wordt gezien als een van de profeten, zou op die dag verschijnen, samen met Al -Mahdi, de grootste aller kaliefen. Samen zouden ze voorgoed een einde maken aan alle onrecht en leed in de wereld.

In de elfde eeuw maakte de christelijke kerk een opmerkelijke ontwikkeling door. Vele koningen en keizers hadden tot dan toe het christelijke geloof omarmd. En omdat ze er vast van overtuigd waren dat God hen tot koning of keizer had benoemd, eigenden ze zich ook de plek van leider van de kerk toe. De paus in Rome had daarmee een betreurenswaardige positie: hij had weinig invloed en de benoeming van bisschoppen en abten was niet zijn taak, maar die van de vorsten.

Vanaf halverwege de elfde eeuw ontstond er een beweging binnen de kerk die besloot dat dit niet meer acceptabel was. Het moest duidelijk zijn dat de paus de vervanger van Christus op aarde was, de opvolger van Petrus en daarmee de leider van de kerk. Het kopen of verkopen van kerkelijke functies, vriendjespolitiek, gehuwde pastoors: het moest maar eens afgelopen zijn.

Omdat Hendrik IV, keizer van het Heilige Roomse Rijk, zich hier niets van aantrok en op eigen houtje bisschoppen bleef benoemen, excommuniceerde paus Gregorius VII hem. Er trok een schok door Europa, want dat was nog niet eerder gebeurd: een keizer die uit het geloof werd gezet. Veel graven en hertogen die tot dan toe trouw waren geweest aan Hendrik IV, eisten dat hij weer in genade zou worden aangenomen door de paus. Zo niet, dan zouden ze hem niet meer erkennen als hun vorst.

Hendrik IV was tot veel bereid om de macht te behouden en trok daarom naar Italië om de paus om vergiffenis te vragen. Hij kroop in het jaar 1077 op zijn knieën over een kiezelpad in de Alpen naar de burcht Canossa. Het was winter en paus Gregorius VII zat bij een knus haardvuur te wachten totdat de keizer boven was. Pas na een uur deed hij de deur open en nam Hendrik weer op in de katholieke kudde (volgens sommige overleveringen stond Hendrik IV zelfs drie dagen in de sneeuw te bidden (op blote voeten!) voordat de paus hem binnenliet).

En dan de opvolger van Gregorius, paus Urbanus II. Die riep in het jaar 1095 alle christenen in Europa op een kruistocht tegen de saracenen te beginnen en Jeruzalem te veroveren. Er werd niet gezeurd over de verkrachtingen en moorden die deze kruisvaarders begingen. Die zonden werden hen simpelweg vergeven. Dat gaf een grote eenheid in de kerk, precies wat de opeenvolgende pauzen wilde. Hun gezag nam steeds meer toe.

In Spanje was de situatie anders. Al sinds het jaar 711 was een groot deel van het schiereiland in handen van de moslims. In de loop der eeuwen hadden de aanhangers van Mohammed het gebied ten zuid-oosten van de Middellandse Zee (ongeveer vanaf het huidige Syrië tot aan het huidige Marokko) veroverd. De islam kende, net als het christendom in die tijd, geen scheiding tussen het gezag van de staat en de kerk. De relatief snelle verovering van dit grondgebied droeg daarom direct bij aan de snelle groei en verspreiding van het islamitische geloof. Een ontwikkeling die de christelijke tegenhangers aan de andere kant van de Middellandse Zee met afgunst en verontrusting waarnamen. Zeker toen de veroveringsdrift doorzette naar Spanje, Italië en Frankrijk.

Het Spaanse kalifaat besloeg een groot deel van het schiereiland en delen van noord-Afrika. Er ontstond in dit gebied een zeer tolerante samenleving, waar joden en christenen zonder al te veel problemen hun eigen godsdienst konden vieren, zolang ze belasting bleven betalen aan de saraceense overheersers. Kunst, cultuur en wetenschap bloeiden er als nergens anders ter wereld.

Zo rond het jaar duizend veranderde dit. Door een aantal opvolgingsproblemen ging de heersende dynastie van kalief Hisham II ten onder. Een aantal gouverneurs van de verschillende steden nam hun kans waar. Ze benoemden zichzelf tot koning en zo ontstonden er allerlei stadstaatjes: Córdoba, Sevilla, Zaragoza, Murcia en nog veel meer zogenaamde taifa’s. Het kalifaat viel uiteen.

Het noorden van Spanje had zich al die tijd weten te verzetten tegen de islamitische overmacht: Galicië, Castilië, Léon, Navarra en Barcelona waren hertogdommen en koninkrijkjes die met veel steun uit Frankrijk en Rome christelijk bleven. Met het versplinteren van het kalifaat meenden de katholieke heersers hun kans te kunnen grijpen. Ze begonnen veldtochten tegen de verschillende taifa’s en wisten die soms te onderwerpen. Tegelijkertijd bevochten ze ook elkaar, wat de vorsten in de taifa’s de kans bood verloren grondgebied terug te veroveren. En de christelijke koningen schroomden niet moslim-soldaten in te huren om daarmee hun christelijke concurrenten te bestrijden.

In de loop van de elfde eeuw vond er een kentering plaats. In het jaar 1032 kwam Fernando I (ook wel ‘de Grote’ genoemd) aan de macht in het hertogdom Castilië. Hij trouwde met de dochter van de koning in Léon en wist na veel gevechten ook Galicië aan zijn rijk toe te voegen. Heel noord-oost Spanje viel daarmee onder één machthebber. Dit bood een sterke positie om de islamitische taifa’s te veroveren en te kerstenen.

Fernando de Grote stierf in het jaar 1065. Hij was zo onverstandig zijn rijk te verdelen over zijn drie zoons en twee dochters. De zoons, waaronder Alfonso VI (een van de hoofdpersonen in het boek), bestreden elkaar op leven en dood. In 1072 wist Alfonso VI zijn oudste broer te doden en zijn jongste broer op te sluiten. Galicië, Castillië en Léon kwamen weer onder één troon.

Alfonso VI stond bekend als een slimme, diplomatieke man die begreep dat het hem niet zou lukken om alle moslims op korte termijn te verjagen van het schiereiland. De moslims hadden belangrijke posities in de handel en de landbouw. Economisch gezien zou het rampzalig zijn als de koning hun zou verdrijven, want wie moest hun plek innemen en dezelfde belastingopbrengsten verzorgen? Daarom besloot hij de weg der geleidelijkheid te kiezen: wel de taifa’s veroveren en tegelijkertijd door middel van verdragen proberen de verschillende bevolkingsgroepen aan zijn gezag te binden. Toledo, zou daarbij als voorbeeld dienen.

In de literatuur is weinig bekend over de details van de verovering van Toledo. Veel meer dan dat Alfonso VI op 25 mei 1085 door de stadspoorten reed, is er niet overgeleverd.

Het verhaal van de verovering van de moskee en de reactie van Alfonso VI daarop (‘ik gooi ze op de brandstapel’) wordt op verschillende wijzen verteld. Het prikkelt de fantasie, zeker bij degene die Toledo heden ten dage bezoekt. Midden in de stad staat nu een gigantische kathedraal, afgeladen met goud, zilver, duur houtsnijwerk, schilderijen en andere kostbaarheden. Precies op de plaats waar ooit de moskee heeft gestaan. Een staaltje onversneden machismo: de katholieke kerk heeft hier de grootste en zal dat laten zien ook.

Met een vergelijkbare geldingsdrang zijn alle moskeeën in Toledo in de loop der tijd omgebouwd tot christelijke kerken, zonder enige respect voor die andere godsdienst die het plaatsje heeft gevormd. Zo verbiedt het islamitische geloof het afbeelden van mensen. Desondanks zijn in al die voormalige moskeeën op de muren uitgebreide fresco’s met christelijke heiligen aangebracht. Ik heb zo maar het idee dat dit soort machtsvertoon niet geaccepteerd zou zijn door Alfonso VI.

Paul A. Kolster

Juni 2015

 

BIBLIOGRAFIE

-Alfonso VI, el rey hispano y europeo de las tres religiones, auteur: A.L. Conde;

-Alfonso VI, auteur: José M. Mínguez;

-Azarquiel, el astrónomo Andalusí, auteur: Carlos Dorce;

-Cantar de mío Cid, edicion Juan Carlos Bayo e I. Michael;

Cristianos y musulmanes 1031 – 1157, auteur: Bernard F. Reilly;

-De Gang naar Canossa, auteur: Tom Holland;

-García II de Galicia, auteur: E.P. Solva;

-El siglo XI en primera persona (memoires van ‘Abd Allah) vertalers:: E. Lévi-Provencal en E.G. Gómez;

-The kingdom Léon-Castilla under king Alfonso VI, auteur: Bernard F. Reilly.

 

Click Here to Leave a Comment Below

Leave a Comment: