Hoofdstuk 1 van “Planeten liegen niet”

This work is in the public domain in the United States because it was published (or registered with the U.S. Copyright Office) before January 1, 1923.

Constanza van Bourgondië, 2e vrouw van koning Alfonso VI van Léon en Castilië.

 

Luguber is het, zo’n lijk over de dakrand van de kerk. Zeker omdat het hoofd alleen aan een paar pezen hangt, de rest van de nek is doorgesneden, de tong steekt uit de mond. Het is een monnik, dat zie je aan de grauwe pij en de tonsuur op het bungelende hoofd.
In de straat brengt de ontdekking van de monnik een pantomime van openvallende monden op gang. Vóór de kerk van de Santas Justa y Rufina verzamelt zich een steeds groter wordende menigte, wijzend, elkaar aanstotend.

Dan verbreekt een vrouw de stilte. Ze zakt door haar knieën, vouwt haar handen samen en begint ijselijk te gillen. De gil is meer dan alleen een uiting van schrik en afkeer. De vrouw, Juana, is het zat en roept met haar gil haar geloofsgenoten op. ‘Christenen…’, wil ze ermee zeggen, ‘…de grens is bereikt; mede-gelovigen, we moeten dit niet meer pikken!’

De gil is de uiting van een gevoel van onbehagen dat zich de afgelopen weken heeft ontwikkeld onder de christelijke bewoners van Toledo. Het is het jaar 1085, de maand juli en eindelijk zijn ze vrij, bevrijd van de eeuwenlange overheersing door de moslims, weg onder het saraceense juk. Maar na de euforische eerste dag, toen koning Alfonso VI zijn intocht hield, de saraceense koning verdween en christelijke ridders en soldaten de plek innamen van de moslimsoldaten en de gehate alguacil, de plaatselijke rechter, werd het leven zo snel weer normaal.

Goed, er waren in de zes christelijke kerken in de stad vieringen, de koning zwaaide het volk toe op het plein voor het Alcázar, er waren feesten. Vol verwachting hoopten de christenen dat de saracenen nu aangepakt zouden worden zoals zijzelf al eeuwen waren onderdrukt: geen privileges, geen openbare vieringen, speciale belastingen, afgescheept met de slechtste huizen, altijd met de ogen naar de grond gericht.

Helaas, de eerste paar weken was het nieuwe christelijke regime bezig de hofhouding te huisvesten in het Alcázar, de eeuwenoude burcht in het centrum. Er ging veel tijd zitten in het sluiten van verdragen met de verschillende bevolkingsgroepen, de moslims en de joden die hun belangen – voornamelijk handel en godsdienst – wilden veilig stellen. En hun belang was ook dat van de nieuwe koning, want via de handel kwam veel belastinggeld binnen, geld dat nodig was om de hofhouding en het bestuur van de stad, de schrijvers, de advocaten, de soldaten, de boekhouders en andere ambtenaren te betalen. Het leek wel alsof de koning geen oog had voor de belangen van de christelijke bevolking. Dagelijks klonk vijf maal de oproep van de muezzin uit de grote moskee, midden in de stad. De christenen vroegen zich af wat het voordeel was van een christelijke koning boven een moslim-koning.
Om al die redenen wordt die gil overgenomen door de andere toeschouwers in de straat voor de kerk, en in de straat ernaast, en op het plein met de waterput, iets verderop.

Nou, vooruit, er is heus wel wat veranderd, constateert Manolo, de pastoor die leiding geeft aan de parochie in de Kerk van de Santas Rufina en Justa, en die daarom ook een zekere verantwoordelijkheid draagt voor het dak van die kerk en alles wat daarop ligt, zoals de bijna onthoofde monnik. Er is de afgelopen weken meer aanloop geweest in de christelijke kerken en de christenen mogen processies op straat houden. Iedereen verheugt zich al op een Semana Santa in september en op de volgende Pasen, de processie van het Corpus Christi door de straten…een enkeling probeert zelfs een heilige feestdag in juli te organiseren, maar er is nog geen geschikte heilige of gelegenheid gevonden.

De patrouillerende soldaten die, gealarmeerd door de schreeuwende menigte, snel en daadkrachtig komen aangerend, lijken te aarzelen om de kerk in te gaan. De gevel van de kerk is verwaarloosd, de ruwe stenen steken door de afgebrokkelde leemlaag heen, de gaten zijn opgevuld met stro. ‘Wie weet staat de duivel klaar om ons ook te kelen’, huivert Pedro, een van de soldaten.
-’Ik kan niet tegen bloed’, mompelt de ander, Carlo, een zoon van een graaf die eigenlijk liever het klooster was ingegaan.
-‘Wat doen we met het lichaam?’ vraagt de derde, Marco, praktisch. ‘Hebben we een kist bij ons?’
Achter hen dringt het boze volk zich op. ‘Zijn jullie er om ons te beschermen?‘ vraagt een boer, die toevallig op bezoek is bij zijn vader, spottend.
-‘Vort, naar boven jullie. Pak die saraceen’, roept een nogal slonzig vrouw met vet haar en een gescheurde rok, vanaf een veilige afstand. Anderen beginnen de soldaten de kerk in te duwen.
-’De toegang naar het dak is via het koor in de apsis. Er staat daar een houten ladder’, vertelt pastoor Manolo, die zich in de menigte naar voren heeft gewurmd.

Zuchtend draaien de drie soldaten zich naar de kerkdeur. Voordat ze naar binnen gaan kijken ze rond, maar zien niemand. Zelfs de staart van de duivel komt niet om de hoek van een pilaar tevoorschijn. Ze vatten moed en trekken hun zwaarden. Stap voor stap lopen ze naar het koor, waar inderdaad een omgevallen houten ladder ligt. Ze zetten hem rechtop en Pedro, de kleinste en meest gespierde van de drie, klimt als eerste naar boven. Langzaam steekt hij zijn hoofd door het luik van het dak, alle kanten verkennend, dan zet hij zijn handen langs de randen en duwt zich omhoog. De twee anderen volgen hem. Ze lopen over de dakpannen, geen spoor van een duivel of een bloeddorstige saraceen. Wel bloed, veel bloed, een spoor dat net na de rand van het luik begint en tot aan het lijk loopt. Voorzichtig trekken ze het lichaam het dak op, het hoofd blijft even haken achter de dakrand. Het bloeden is allang gestopt, het lichaam koud en stijf. Marco probeert met zijn vingers de oogleden van de monnik dicht te drukken, om de starende ogen niet te hoeven zien. Op de nok van het dak kijkt een kraai belangstellend toe.

Luitenant Sisnando Davídez strijkt met zijn hand over zijn pas geknipte baard. De barbier heeft er veel afgeknipt, hij voelt zich naakt. Hij is een lange man, met een olijfbruine huid en zwart haar. Zijn joodse vrouw wil dat hij zijn baard helemaal afscheert, maar dat gaat niet gebeuren, een man hoort een baard te hebben, vindt hij. Mannen zonder baard hebben minder geluk en hebben lelijke echtgenotes. Zijn vader droeg zijn leven lang een baard, om boze geesten af te schrikken. De ene keer dat hij die had afgeschoren, stierf zijn vrouw; een djinn gooide haar uit het raam. Dat verhaal doet nog steeds de ronde in zijn familie en sindsdien volharden alle mannelijke familieleden in het dragen van een baard. Een korte baard, zoals hij nu heeft, herinnert hem aan zijn vader, aan zijn overleden moeder; een baard die lang genoeg is, vult de leegte die zij heeft achtergelaten.

Koning Alfonso heeft hem bewindvoerder gemaakt. Zolang de koning afwezig is, is hij verantwoordelijk voor de veiligheid van de stad, zorgt hij ervoor dat het recht wordt gehandhaafd, dat de rust bewaard blijft. Hij heeft zijn mannen opdracht gegeven regelmatig door de stad te patrouilleren, altijd in drietallen, in geval van nood kan er dan één versterking halen, terwijl de andere twee…nou ja, nog altijd met z’n tweeën zijn.
De gil die door de stad galmde, verontrust hem. Hij pakt een paar korte baardharen en geeft er rukjes aan, het is zijn manier om zijn zenuwen in bedwang te houden. Wanneer komen zijn mannen rapporteren wat er aan de hand is? Waarom moet dat zo lang duren? Snappen ze dan niet dat hij informatie nodig heeft? Een koningin en een aartsbisschop-elect zitten op bericht van hem te wachten. Zal hij er zelf op uit gaan?
Dan wordt er geklopt. Pedro, de kleine soldaat loopt gehaast naar binnen en vertelt wat er is gebeurd.

-‘Waar is het lichaam van de monnik nu?’ vraagt de luitenant.
-‘Opgebaard in de kerk, het wordt bewaakt.’
Davídez beveelt dat het lichaam naar het Alcázar wordt overgebracht, waar de koning, de aartsbisschop-elect en de luitenant tijdelijk hun intrek hebben genomen. ‘Ik wil het onderzoeken voordat jullie het begraven!’ waarschuwt hij.

Davídez heeft lange tijd de stad Coímbra bestuurd, waar moslims en christenen in harmonie naast elkaar leven. Hij is als christen opgegroeid tussen de moslims, hij kent de spanningen die er tussen de bevolkingsgroepen kunnen ontstaan en is er trots op dat hij altijd met beide partijen heeft kunnen samenwerken. Hij weet dat er meer moet gebeuren dan het onderzoeken van het lichaam. Het zal niet lang duren voordat de christenen de saracenen beschuldigen van de moord. En omgedraaid. Na ampele overweging besluit hij daarom Abu Walid te ontbieden, de saraceense wetsgeleerde die tijdens de verovering van de stad de onderhandelingen heeft gevoerd met koning Alfonso over de overgave van de moslimgemeenschap. De moslims accepteren het gezag van de christelijke koning, onder voorwaarde dat ze hun handel kunnen blijven drijven, hun godsdienst mogen uitoefenen, vrije toegang tot de stad behouden, hun moskee in stand blijft. Tijdens de eerste onderhandelingsgesprekken had Abu Walid een lange lijst met voorwaarden aan de koning en zijn adviseurs voorgelegd. Als die voorwaarden niet werden ingewilligd, zouden alle moslims de stad verlaten en hun heil elders, bij naburige moslimstaatjes zoeken. Dat was een schrikbeeld voor de koning, want een stad die voor een groot deel bestond uit verlaten huizen, was waardeloos. Abu Walid was een sluwe tacticus met priemende ogen die zeer goed door had waar het belang lag van de nieuwe koning; hij buitte dit ten volle uit en wist een mooi verdrag af te sluiten; zijn saraceense stadgenoten waren hem er dankbaar voor en hij werd er hun onbetwiste leider mee.

Abu Walid is een lange man, zo lang als luitenant Davídez en mager als een jonge boom. Hij buigt diep voor de bewindvoerder en wenst hem een lang en gezond leven met veel kinderen en vruchtbare vrouwen.
-’Ik hoop dat u en uw familie in gezondheid en met Allah’s zegen uw dagen doorbrengen, ondanks deze gespannen tijden’, buigt Davídez terug.
-’En dat de oogsten van uw boomgaarden groot en sappig zijn’, knikt de wetsgeleerde. Hij kijkt wantrouwig rond, zich afvragend waarom hij is ontboden.
-‘En dat uw gebeden aan Allah gehoord worden als oprechte smeekbeden om genade.’
Deze laatste wens verrast de wetsgeleerde, die had hij nog niet eerder gehoord. Hij kijkt de luitenant aan en knippert met zijn ogen. Voordat hij weer wat kan zeggen, vraagt Davídez: ‘Wilt u thee?’ Hij wijst op de kleine, stenen mokken en de koperkleurige theepot, waaruit muntbladeren steken. Ze staan in een van de vele vertrekken van het Alcázar. Het biedt uitzicht op de binnenplaats, waar soldaten bezig zijn hun uitrusting te poetsen en hun paarden te borstelen. Als ze op de kussens zijn gaan zitten bij een lage, ronde tafel, vraagt de luitenant: ’U hebt gehoord van de onrust?’
De wetsgeleerde knikt. ‘Het kwaad verzint gruwelijke vormen om zich te uiten.’
-‘Ik ben bang dat deze gebeurtenis de spanningen in de stad versterkt.’
De wetsgeleerde trekt zijn meest neutrale gezicht. ‘Wanneer u de christen vindt die deze schanddaad over uw gemeenschap heeft gebracht, zullen die spanningen snel verdwijnen.’
De luitenant pakt weer wat baardharen vast. ‘Mij bereiken geluiden dat een moslim deze daad zou hebben gepleegd.’
De wetsgeleerde schudt zijn langgerekte hoofd langzaam heen en weer. ‘Onmogelijk. Welk belang zouden wij hebben? We snappen dat we onze nieuwe heersers daarmee zouden verontrusten. Dat is het laatste wat wij willen.’
-‘Misschien ziet een van uw gelovigen dit als een daad van gerechtigheid. Als ware hij de hand van Mohammed?’
De wetsgeleerde schudt wederom bedenkelijk zijn hoofd. ’Ik zal navraag doen of er getuigen zijn. Misschien kunnen die licht werpen op deze duistere kwestie, Inshallah.’ Ze drinken zwijgend hun thee en dan verlaat de wetsgeleerde de kamer, buigend, met de belofte alles wat hij verneemt te delen met de luitenant.

Click Here to Leave a Comment Below

Leave a Comment: